home - over varens - varens in Nederland
De Struisvaren in Nederland       
Een tweede natuurlijke vestiging van de Struisvaren in Nederland, Piet Bremer

De Struisvaren (Matteucia struthiopteris L.) is in Nederland vooral bekend van tuinen. Hier is het de meest algemene varensoort. Bij tellingen op diverse locaties bleek de soort in 6% van de tuinen voor te komen. Andere varensoorten zijn als tuinplant beduidend zeldzamer. De verschillende opgaven van groeiplaatsen buiten tuinen betreft voornamelijk parken en landgoederen, waar de soort zich vegetatief kan uitbreiden en verwilderen (Weevers et al, 1948, van der Meijden et al, 1996).

Opvallend aan de Struisvaren is dat hij zich uitbreidt met rhizomen en grote bestanden (plekken) kan vormen. Binnen de krans van steriele bladeren worden aparte, kortere fertiele bladeren gevormd, die met hun bruine kleur opvallen. Eén fertiel blad produceert tussen de 100.000 en miljoen sporen (Farrar 1976), dus bij een groeiplaats met tientallen fertiele planten loopt de sporenproductie in de miljoenen. De sporen zijn chlorofylhoudend, gelijk bij de paardenstaarten en Koningsvaren (Osmunda regalis). Dit betekent dat sporen na hun verbreiding maar korte tijd kiemkrachtig blijven en dat geen sporenvoorraad in de bodem wordt gevormd. Gezien deze mate van voorkomen in tuinen en de veelvoud van miljarden sporen die in ons land worden gevormd, was een spontane vestiging in Nederland te verwachten. De meldingen aan het Rijksherbarium (thans Nationaal Herbarium Nederland) betroffen steeds plekken met verwildering en mogelijk ook van natuurlijke lijkende aanplant, bijvoorbeeld in kasteelbossen. Het was in 1986 dat een zeer natuurlijke ogende populatie werd aangetroffen in het Abbertbos, aan de oostrand van Oostelijk Flevoland. Hier werden zeven klonen gevonden in grootte variërend van 1 tot 9 meter in doorsnede; in een opstand van Canadapopulier (Populus x canadensis), Zwarte els (Alnus glutinosa) en Es (Fraxinus excelsior). De klonen lagen verspreid in het bos, dus niet aan het begin van een bosweg, wat bij groeiplaatsen in bossen wijst op menselijke aanvoer, meestal met tuinafval.
 
Tijdens de kartering van het Waterloopbos in 2002 werd op de meest westelijk gelegen kavel een bescheiden populatie aangetroffen op een onverharde bosweg. Het ging om vijf vestigingen met 3 - 23 planten per plek. Een vestiging op een bosweg lijkt niet zo voor de hand te liggen. Vanwege betreding door mens en voertuigen zijn deze boswegen in de regel niet geschikt voor deze en andere varensoorten. Hier was echter sprake van een sterke insporing van de bosweg, die ontstaan was bij de laatste keer dat het omringende beukenperceel door Staatsbosbeheer was gedund en het hout afgevoerd. Dat zal omstreeks 1990 zijn gebeurd. Na die tijd is er geen beheer meer gevoerd als gevolg van een juridische strijd die gevoerd is over de toekomst van het gebied. En in die tussentijd bleef het gebied afgesloten voor publiek en voertuigen. Die juridische strijd lijkt na 10 jaar gewonnen door de natuurbescherming (Stichting Waterloopbos), waardoor in 2003 het beheer over is gegaan naar Natuurmonumenten. En dus ook het perceel met de Struisvaren. Per ongeluk is de groeiplaats begin 2003 deels geëgaliseerd, om de bosweg weer berijdbaar te maken, waardoor een deel van de groeiplaats verloren is gegaan. Er komen echter nog planten voor in de ’berm’ en een enkele plant is na de egalisatie toch weer op dezelfde plek verschenen. Dat insporing door zware machines tot vestiging van bijzondere varens leidt geldt niet alleen voor het Waterloopbos. Insporing in een Twents bos (Boerskotten) leidde tot vestiging van de Stippelvaren (Oreopteris limbosperma) en insporing binnen het Kuinderbos bood mogelijkheden voor vestiging van onder andere Blaasvaren (Cystoperis filix-fragilis), Gebogen driehoeksvaren (Gymnocarpium dryopteris) en Tongvaren (Asplenium scolopendrium).
 
In tabel 1 zijn diverse eigenschappen van beide natuurlijke groeiplaatsen op een rijtje gezet. Er zijn grote verschillen tussen beide. Wat waterhuishouding betreft is er het verschil tussen kwelgebied (Abbertbos; lokale kwel, uittredend grondwater vanuit de randmeren) en een droogtegevoelig infiltratiegebied (Waterloopbos), met echter wel hoge voorjaarsgrondwaterstanden gevoed vanuit regenwater. Onder natuurlijke omstandigheden in Duitsland groeit de soort vooral op vochtige tot natte, beboste plekken nabij beken en rivieren en is hij ook wel gevonden in graslanden met uittredend grondwater (Bennert et al. 1999). Belangrijk is dat het hele jaar zowel sprake is van een goede vochtvoorziening als doorluchting van de bodem. De groeiplaats in het Abbertbos sluit beter aan bij de voor Duitsland beschreven omstandigheden dan die in het Waterloopbos.
 

tabel 1 | Vergelijking van twee natuurlijke groeiplaatsen van de Struisvaren
(Matteucia struthiopteris) in Flevoland voor wat betreft abiotische en biotische omstandigheden.
 
Ook in de bodemsamenstelling bestaan verschillen, van fijn kalkhoudend zand (Abbertbos) tot humeus kalkarm matig fijn zand (Waterloopbos). In Duitsland is langs beken en rivieren vooral sprake van lemige bodems. De zuurgraad kan per kloon sterk verschillen, tussen 3,9 en 6,6 in Duitsland, met een accent aan de zure kant. In Scandinavië en Canada is de soort omschreven als kalkminnend. De pH is in het Abbertbos hoog (> 7,0) en sluit in het Waterloopbos (pH 5,0) beter aan bij die in Duitsland.

Terwijl in het Waterloopbos vestiging optrad op insporingen waren de vestigingen in het Abbertbos in een begreppeld bos, echter niet op de greppelkanten, maar op de tussen de bosgreppels gelegen bosakkers. Op zich wel bijzonder, gezien de binding van veel zeldzame varens in Flevoland aan greppelkanten.
 
Meer overeenkomst is er vegetatiekundig gezien. In het Abbertbos werd de soort onder andere begeleid door Wijfjesvaren (Athyrium filix-femina), Dauwbraam (Rubus caesius), Aalbes (Ribes rubrum) en Ruw beemdgras (Poa trivialis). In het Waterloopbos gaat het onder andere om de massale groei van Klimopbladereprijs (Veronica hederifolia) en begeleiding van Wijfjesvaren, Geel nagelkruid (Geum urbanum) en Bosveldkers (Cardamine flexuosa). De begeleidende plantengroei wijst op beide locaties op loofbos op een voedselrijkere bodem en of bodems met een hoge pH (voor diverse soorten komt dat ecologisch met elkaar overeen), en betreft zogenaamd elzen-vogelkersbos; een verzamelnaam voor meerdere bostypen. In het grootste deel van Flevoland zal zich een essen-iepenbos ontwikkelen, hoewel Bremer (2000) voor het met voedingsstoffen van nature voedselarme Urkzand (situatie in omgeving van Waterloopbosgroeiplaats), vooral langs de kavelsloten met stromend water, spreekt van een ontwikkeling richting essen-vogelkersbos (Pruno-Fraxinetum). Veel bosvegetaties in Flevoland vertonen duidelijke ontwikkelingen naar bosgemeenschappen die van het oude land bekend zijn, maar verbreidingssnelheid lijkt hier beperkend, waarbij soorten nog in gebieden ontbreken of binnen gebieden nog volop bezig zijn met kolonisatie (Bremer 1999). In Duitsland groeit de Struisvaren in rivieren beekbegeleidende bossen, namelijk in essen-elzenbossen (Alno-Ulmion), elzenbroekbossen (Stellario-Alnetum) en soms ook in het van Nederland bekende eiken-haagbeukenbos (Stellario-Carpinetum) (Bennert et al. 1999). In Frankrijk komt zij voor in elzen-vogelkersbossen onder andere met Elzen, Iepen en Populieren (Guinochet & de Vilmorin, 1973). De overeenkomst met beide Nederlandse groeiplaatsen is te zien in de pH en het bostype; het elzen-vogelkersbos of nauwverwante bostypen.
 
Geheel vreemd zijn spontane vestigingen in Nederland niet. De areaalgrens loopt (of liep !) immers dicht bij Nederland. De soort komt op verspreid gelegen plekken voor in de Ardennen. De dichtstbij gelegen natuurlijke vindplaatsen liggen in het Rijndal (Bennert et al. 1999). Meer groeiplaatsen zijn in Nederland te verwachten en het zou mij niet verbazen dat van de vele zogenaamde verwilderingen er mogelijk meer zijn die toch natuurlijk zijn ontstaan uit sporen. Maar als die sporen van in tuinen groeiende planten zijn, spreken we dan toch van verwildering?

Zo geldt voor de spontane vestiging in het Waterloopbos dat dichtbij een heel grote groeiplaats bij het hoofdkantoor van het Waterloopkundig laboratorium voorkomt. Het lijkt erg voor de hand dat van de vele miljoenen sporen die hier zijn geproduceerd de ’natuurlijke’ vestiging op circa een halve kilometer mogelijk hebben gemaakt. Bij de groeiplaats in het Abbertbos kwamen echter op korte afstand niet dergelijk ’kunstmatige’ grote groeiplaatsen voor.
 
Literatuur
• Bennert, H.W. - K. Horn - J. Benemann - T. Heiser ~ 1999. Die seltener und gefährdeten Farnpflanzen Deutschlands. Biologie, Verbreitung, Schutz. Bundesamt für Naturschutz. Bonn/Bad Godesberg.
• Bremer, P. ~ 1988. Een natuurlijke groeiplaats van Matteucia struthiopteris (L.) Todaro in Oostelijk Flevoland? Gorteria 14: 11 - 12.
• Bremer, P. ~ 1999. Colonization of polder woodland plantations with particular reference to the ferns. The Fern Gazette 15 (8): 289-308.
• Dostál, J. ~ 1984. Matteucia struthiopteris. In: G. Hegi, Illustrierte Flora von Mittel-Europa I (I), 3, Aufl. 208 - 210. Berlin/Hamburg.
• Farrar, D.R. ~ 1976. Spore retention and release from overwintering fern fronds. American Fern Journal 66: 49 - 52.
• Meijden, R. van ~ 1996. Heukels’ flora van Nederland. Wolters-Noordhoff.
• Weevers, Th. - J. Heimans - B.H. Danser - A.W. Kloos - S.J. van Ooststroom - W.H. Wachter ~ 1948. Flora Neerlandica, Flora van Nederland. Pteridophyta, Gymnospermae. KNBV, Amsterdam.

Artikel uit VarenVaria nr.2 - 2003