home - over varens - varens in de tuin
 Tuinieren in bosgrond     
Fons Slot

De hele natuur en met name datgene dat wortels heeft, heeft mijn belangstelling. Daarvan zijn de varens mijn grootste liefhebberij. Een aantal jaren geleden heb ik in Frankrijk in de Corrèze een huisje gekocht met een stukje grond en ruim een jaar geleden kwam ik er toevallig achter dat aangrenzend aan dit terrein een perceel bos te koop stond.

Mooi van afmeting, maar met veel bramen en Klimop was dit stuk bos in eerste instantie slecht doorgaanbaar. Het was zonder meer reuze spannend, om met snoeischaar en hark daar een weg door te moeten banen. Het bracht me in gedachten terug, onder andere naar de tijd dat ik nog een schooljongetje was; ’landje pik’ was toen een populair spel.

 
Tot dan had ik aan de bosrand al een soort varentuin gemaakt door uit Nederland meegenomen varens aldaar aan te planten. Het leek me geweldig om dit gedeelte met een stuk bos uit te breiden. Ik heb er dan ook niet lang over na hoeven denken om dit stukje bos van 2.000 vierkante meter bij ons terrein te betrekken.
Van de eigenaar kreeg ik toestemming om alvast enig werk te verrichten. Mijn handen jeukten en er bleek een hoop werk te doen.
 
Februari 2007 ben ik begonnen met het rooien van ’...tig’ vierkante meters bramen. Gewoon het ouderwetse snoeiwerk: het met de hand de verwilderde braamstruiken wegknippen, wortels uitspitten, op een grote hoop en de fik erin. Daarna bleek dat er ook een flinke hoeveelheid afval in de vorm van oud ijzerwerk afgevoerd moest worden. Als laatste kon ik vaststellen dat de gehele bosbodem was voorzien van een dikke laag Klimop. Het eerste plantgat dat ik spitte leverde veel klimopwortel en droge grond op.

Het meeste ijzerwerk moest gewoon afgevoerd worden, waardeloze troep. Toch kwam er tot mijn verrassing ook nog wat leuks boven de grond. Een witporseleinen buste van wat ooit een beeldje van een engel moet zijn geweest en de restanten van een ’marmite’; een kookpot die ooit dienst zal hebben gedaan als pan boven de open haard.
 
Er viel nog een hoop verder te schonen eer ik mijn eerste varens daar kon aanplanten. Positief was het constateren van een dikke bladlaag, het bos bestaat voornamelijk uit eiken met hier en daar een dennenboom er tussen. Aan de randen staat hazelnoot.
 

 
Dryopteris crassirhizoma

Deze varensoort was de eerste die een plek kreeg in het varenbos. Drie grote planten die ik in december al op de thuisbasis verkregen had, door de moederplant te in vieren te scheuren. Deze drie stukken zijn na een tijdelijk leven als ’kuipplant’ in de wintermaanden, prachtig uitgelopen en aan het echte leven begonnen.

 

In mei had ik opnieuw een week vakantie. Tot dan had ik tijd om thuis in eigen tuin tijd een flink aantal varensoorten te verzamelen. Grotendeels ben ik daarbij ruw te werk gegaan: eerst de gehele plant uitspitten, kijken uit hoeveel kronen de plant bestaat om vervolgens met een Spear & Jackson spade grofweg de varen in twee, drie of vier stukken te hakken. Met name de Dryopteris, Polystichum en Athyrium soorten heb ik op deze manier ’mishandeld’. Afhankelijk van de oogst heb ik stukken van de betreffende varensoort opgepot. In de voorjaarsvakantie kon ik dan ook met een autovracht varens naar Frankrijk rijden.
 

Matteuccia struthiopteris  
Van de Struisvaren heb ik flink wat rizomen aangeplant op een gedeelte waar de grond niet al te nat lijkt te kunnen gaan worden. Het voorkomt dat deze zal gaan woekeren.

Om van dit bosperceel een varenbos te maken ben ik zorgvuldig te werk gegaan en ben ik me allereerst gaan verdiepen in de boeken van Martin Rickard, Sue Olsen, Reginald Kaye en John Kelly om er achter te komen waar naar hun mening en ervaring ’woodland’ aan moet voldoen om varens een geschikte plek te geven.

Het bosterrein loopt op onder een hoek van 30 graden met hier en daar een flinke verdieping, op bepaalde plekken dichter en op andere plekken minder dicht bebost. Ook liggen er enkele bomen omgewaaid in elkaar gevorkt op elkaar.
 
Asplenium scolopendrium Cristataum groep

Deze Tongvaren variëteit vind ik altijd prachtig. In het grotendeels nog ongerepte varenbos kregen drie planten een plek op de rand van een flinke verdieping. Een sterke pionier, welke als derde aangeplante soort zich nu in echte bosbodem kan gaan ontwikkelen.

 


  
Ik kom tot de conclusie dat er voor bijna elke winterharde varensoort wel een ideaal plekje te vinden of te maken is, mits op de gedeeltes waar ik varens wil aanplanten, de Klimop voor een deel wordt geëlimineerd. Dus voor de aanplant van de eerste varengroepen heb ik eerst een geschikte plek gezocht op factoren licht/schaduw, bereikbaarheid voor regenwater en rekening houdend met de uiteindelijk tot volwassen uitgegroeide hoogte. Vervolgens rooide ik twee tot drie vierkante meter Klimop daar waar ik varens wilde planten.

Bij deze eerst van Klimop vrijgemaakte stukken bosgrond, spitte ik grond die nogal aan de droge kant leek twee spaaien diep door met aanwezig blad. De grond zelf lijkt het meest op de grond die in Limburg te vinden is. Grond die goed vocht vast kan houden: in droge periodes een droge afsluitbare bovenlaag vormt, waardoor verdere uitdamping en verdroging wordt tegengegaan, zodat de planten die diep genoeg wortelen over voldoende vocht kunnen beschikken. Vervolgens plantte ik van de meer gewone Dryopteris, Athyrium en Polystichum soorten en Asplenium scolopendrium variëteiten een aantal groepen aan. Het was fantastisch te zien dat deze eerste varengroepen in het bos meteen zo natuurlijk aanwezig waren. Door de grond om de planten heen wat af te strooien met blad leek het net alsof ze er altijd gestaan hadden.
 

Athyrium otophorum ’Okanum’ 

Een mooie robuuste Athyrium soort, met Japan als oorspronkelijke habitat. De varen heeft geweldig mooie veren, in het voorjaar uitlopend met diep donkerrood/purper tot paarse stengels met bleek groene pinnae. Sterk en makkelijk. Deze varensoort heb ik daar aangeplant waar hij met zijn afwijkende kleur wat licht kan brengen.

 


 
Mijn week was om en ik nam me voor om begin juni nog een keer een week vakantie op te nemen om met dit verslavende werk verder te gaan.

Thuis in Nederland leek het me handig een hakselaar aan te schaffen om bepaald nuttig snoeiafval een versnelde kans tot composteren te geven en deze te gebruiken om bepaalde plekken in het bos van een mulchlaag te voorzien. In het aanbod van hakselaars met afweging van prijs en kwaliteit bleek de hakselaar met walstechniek van de Lidl (supermarktketen) een hele goede keuze en heb deze dan ook aangeschaft.
 
Dryopteris erythrosora

Eén van de verrassingen bij aankomst begin van de zomervakantie. Het uitlopen van deze Dryopteris soort is een lust voor het oog. Een prachtige kleurschouwspel valt je elk jaar wil ten deel. Het uitlopen van de veren aanvankelijk rood verlopend naar roodbruin om vervolgens de weken erna richting bruingroen en uiteindelijk groen te kleuren. De sporendoosjes aan de onderkant van volgroeide groene veren zijn helderrood.
 


  
In de paar tussenliggende weken heb ik menig tuincentrum in de buurt waar ik woon afgestroopt op zoek naar nieuwe aanwinsten op varengebied.

Zo kon ik begin juni opnieuw met de auto volgeladen met plantgoed én hakselaar naar Frankrijk rijden. Aldaar aangekomen, was ik erg benieuwd hoe het de aangeplante varens verging. Het was een geweldige verrassing dat ze er blakend van gezondheid bijstonden met prachtig uitgerolde mooie grote robuuste veren. Denk daarbij aan het lichte groen van Matteuccia orientalis, het rozebruin van Dryopteris erythrosora, glanzend helder groen Dryopteris buschiana, het bijna uitgerolde blad als het ware een cobra bij Asplenium scolopendrium en het dondergroen van Polystichum setiferum ’Plumosum Bevis’. Ook de Dryopteris dilatata stond er prachtig uitgerold bij. De geprepareerde grond waarin ze stonden voelde niet meer droog aan, maar lekker nattig droog, precies zoals het zou moeten zijn. Het sein stond op groen: ik kon doorgaan met het rooien van Klimop, het doorspitten van de grond en met het vermengen van de grond met blad. Het regenwater bleek op de plekken zonder Klimop wel voldoende de grond in te kunnen dringen.
 

Omgevallen boomstammen die na het verder opschonen van een stuk bos tevoorschijn kwamen. Deze heb ik verder laten liggen zodat ze een prachtige rol zullen gaan vervullen als achtergrond voor nieuwe aanplant.

 

Mei en juni zijn echte groeimaanden en met op het terrein het gras tot aan mijn knieën werd het eerst tijd om het veld te maaien. Vervolgens de hakselaar geïnstalleerd en op snoeikarwei gegaan, er viel in het bos zelf nog wel een en ander aan takken weg te werken.

Ook was er flink wat braam opgekomen uit wortelopslag en verder stond er in het bos veel echt onkruid: flinke pollen gras en een klaverzuring-soort met in hoog tempo kruipende wortelstokken en daarmee een potentieel gevaar voor het wortelgestel van de varens.
 
Polystichum tsus simense var. ’Mayebarae'

Deze varen heeft vele jaren in mijn tuin achter het huis gestaan, met een naamlabel Polystichum retrosopaleaceum. Deed het nooit écht heel geweldig. En hoe gaat het met zorgkinderen….ze worden extra gekoesterd. Of dat altijd de goede manier is? Jaren ’pamperen’ heeft al met al toch weinig geholpen. De overstap naar het varenbos heeft hem zienderogen goed gedaan. En inmiddels was ik er achter gekomen de naam waarmee deze varen voor mij door het leven ging niet goed kon zijn. Lijkend op Polystichum tsus simense maar toch duidelijk anders. Een veer van deze plant mocht ik voor determinatie opsturen naar David Barrington, specialist op het gebied van Polystichum. Het bleek een Polystichum tsus simense var. ’Mayebarae’ te zijn.


 

Halverwege het bosterrein startte ik met de aanleg van een takkenwal. Van een grote bamboesoort die verderop op een braakliggend terrein groeide haalde ik met een zaag flinke takken op. Met deze bamboescheuten maakte ik een begin voor de takkenwal door ze verspringend met ongeveer 80 cm verschil tegenover elkaar in de grond te slaan. Daartussen kon ik dan steeds takken en ander snoeiafval kwijt dat minder geschikt was om te verhakselen. Ook de gerooide klimopslierten zouden zo een vast ingrediënt gaan worden.

Enfin, Klimop verwijderen, bosgrond omspitten en er blad doorheen werken werd de daginvulling van de laatste dagen van die week. Opnieuw had ik een aantal varensoorten een plek kunnen geven: onder andere Polystichum neolobatum, Polystichum proliferum, Dryopteris remota, Dryopteris affinis ’Crispa’, Dryopteris varia, Athyrium niponicum ’Pictum’ en Adiantum aleuticum.
 

Dryopteris affinis ssp ’Azorica’  

Wéér een kanjer van een varen, goed wintergroen, siert het bos in al zijn pracht. De chaos van boomstammen biedt een prachtig decor.
 


 
Terug in Nederland heb ik online ’boodschappen’ gedaan bij Dirk Wiederstein, Fibrex en Rickard’s ferns. Voor al deze bedrijven geldt een goede snelle levering, goede kwaliteit echter de verzendkosten zijn aan de hoge kant. Zo heb ik Asplenium scolopendrium ’Kaye’s Lacerate’, een Athyrium filix femina uit de Victoriae groep, Dryopteris monticola en nog wat minder goed in Nederland verkrijgbare soorten kunnen kopen om van de zomer weer mee te nemen.
Aan het begin van de zomervakantie, jullie raden het al: de auto weer helemaal afgeladen vol met van alles op plantgebied met die uitzondering dat ook de Pelargoniums van mijn vrouw mee op vakantie konden. Die krijgen daar altijd een plekje in de zon op een verhoging tegen de gevel van het huis.
 
Polystichum neolobatum

Deze varen heb ik net als de Polystichum tsus simense var. ’Mayebarae’ verkregen door ruil, echter met een andere naam. Al snel werd het me duidelijk dat het ging om Polystichum neolobatum. Hij groeide uit tot een prachtige grote wintergroene varen. Rondstruinend in allerlei tuincentra in de buurt kwam ik tot mijn verrassing een kleine partij tegen. Ik heb de éénling dan ook familie kunnen geven.

 


   
Opnieuw bij aankomst had de natuur weer erg zijn best gedaan. Maar zo goed dat alle aangeplante varens in het bos er meer dan prachtig bijstonden. Het stuk bos bleek uitstekend geschikt en mijn vertrouwen groeide voor verdere ’exploitatie’ om ook de rest van mijn varencollectie daar onder te brengen.
 

Blechnum fluviatile

Een uit Nieuw-Zeeland afkomstige Blechnum soort, welke voor ons klimaat voldoende winterhard is. Op het zaai- en stekweekend op de Hortus van Utrecht was dit jaar extra opgesierd met een stand exotische- en vleesetende planten. Daartussen stond dit exemplaar. Er zijn varens die hele verre reizen maken. Deze Blechnum was duidelijk niet van sporenkweek in onze contreien afkomstig. Hoe zal het hem bevallen aan de rand van het varenbos?

 


 
Eerst werd het weer grasmaaien, wieden,... en deze zomer zou de overdracht van het perceel zijn en dat zou betekenen dat het gazen hekwerk gesloopt kon worden. Het bos zou dan echt bij ons terrein getrokken kunnen worden. We zagen er naar uit.

Een week later was het zover, de overdracht had plaats gevonden en zodra we terug waren, zijn we direct begonnen met het slopen van het hekwerk. Het was een lust voor het oog om te zien hoe gaande het sloopwerk meer en meer zichtbaar werd hoe de overloop van terrein naar bos een natuurlijk verloop begon te krijgen.
 

Dryopteris ssp ?

Zover mijn herinnering terug gaat. De eerste schreden van mijn belangstelling voor varens. Het is 1983, ik denk dat ik drie soorten in de tuin had staan: Dryopteris felix mas, Athyrium filix femina en jawel, hoe kan het ook anders… Matteuccia struthiopteris. Rond deze tijd begonnen de eerste ritjes naar tuincentra, op zoek andere varensoorten. Dit is één van de eerste aankopen, een Dryopteris species, blijft goed wintergroen, loopt lichtgroen uit in het voorjaar. Tot op de dag van vandaag kan ik niet vertellen om welke soort het gaat.
 


  
De houten palen van het gesloopte hekwerk deden uitstekend dienst als uitbreiding voor de takkenwal. Het gaas hebben we afgevoerd.
Opnieuw moest er nog wel flink wat snoeiwerk gedaan worden. Langs het voormalige hekwerk stond veel braam en Klimop. Deze vonden een nuttige plek in de takkenwal.
 

Polystichum setiferum ’Nantes’

Oorspronkelijk aangeschaft met het naamlabel: Polystichum setiferum ’Iveryanum’. Sla Martin Rickard (The plantfinder’s guide to garden ferns - 2003) er maar eens op na… hij lijkt er in de verste verte niet op! Maar dan altijd speurend naar steeds andere en nieuwere soorten kom ik deze varen tegen met de naam Polystichum setiferum ’Nantes’. Varens en namen; het lijkt erop dat we er in Nederland, met name in de tuincentra, er een zooitje van maken.
 


 
Een aantal hortensia’s die langs onze kant van het hekwerk stonden, bleken nu te keurig op een rijtje te staan en kregen een nieuwe plek waardoor een meer natuurlijk geheel ontstond.

Dan werd ook steeds een plantplek gemaakt door Klimop weg te snoeien en uit te spitten, de grond om te spitten, te mulchen met blad en gehakseld groen als laatste door de grond heen te werken. Feitelijk maakte ik zo op de plekken waar varens werden aangeplant een dikke betere vochthoudende laag tussen de dieper wortelen de bomen. Hier en daar mengde ik in de plantgaten nog wat beendermeel.

Allerlei varensoorten die al jaren langs het hekwerk hadden gestaan kregen nu een nieuwe plek. Zo verhuisden onder andere Cystopteris bulbifera en andere Cystopteris soorten, Polypodium vulgare, Dryopteris clintoniana, Athyrium filix-femina ’Plumosum’, Cyrtomium soorten, Polystichum soorten, Asplenium soorten, maar ook een flinke grote Osmunda regalis kreeg een betere, strategische plek.

Ook de nieuw meegebrachte varens kregen een plek: Asplenium filix-femina subsp. angustum f. rubellum ’Lady in Red’, Athyrium ’Ghost’, Polystichum setiferum ’Divisilobum’ variëteiten, Dryopteris goldiana, Dryopteris monticola, Dryopteris stewartii en Dryopteris marginalis en de nog net voor vertrek gekochte Blechnum tabulare kreeg een verdiepte plek daar waar ooit een boom was omgewaaid en ontworteld.

Uiteindelijk staan er dan in de zomer van 2007, bijna 200 soorten aangeplant
 

Cheilanthes tomentosa

Niet echt de eerste varen waar je aan denkt om een bos mee te beplanten. Het gaat hier om een xerofiet, een varen die zich thuis voelt in een drogere warme omgeving, dat roept beelden op van cactussen en vetplanten, kortom een zonovergoten standplaats schuwt hij niet. Tijdens de wintermaanden mag de grond waarin hij groeit niet te nat zijn, dat zou zijn dood kunnen betekenen. In het bovengedeelte van het bos op een open plek op de rand van een traptrede heeft ie een plaats gekregen. Ik ga het er op wagen.
 


  
Het bleek alras dat het voor bezoekers erg onduidelijk was waar je wel en niet mocht lopen. Dat gaf te denken en het leek al snel gewoon handig om met lange stukken dunne boomstam en dikkere takken, paden aan te geven waarop gelopen kon worden. Op wat steilere stukken in het bos heb ik met behulp van stukken boomstam ’traptreden’ gemaakt die met behulp van bamboe stukken werden verankerd.
 

Athyrium niponicum ’Pictum’

Als ik iemand warm zie lopen voor mijn varenhobby, dan wordt er altijd stilgestaan bij deze Athyrium soort. Het is een opvallende verschijning met zijn vele grijs- en paars/roodtinten. Een hele gemakkelijke varen. En waar zou die het ook wel eens goed kunnen gaan doen? Deze Athyrium soort vult de bosgrond dan ook op een gulle manier, geeft kleur in een voornamelijk groene omgeving.
 


 
De herfstvakantie verliep niet anders, aanplant van Woodwardia radicans, Rumohra adiantiformis en Microlepia strigosa, voor de aandachtige lezers varens voor zone 8 en 9. Ik heb deze aan het eind van die herfstvakantie dan ook zorgvuldig van een laag dennennaalden voorzien en daarna afgedekt met gewoon blad. Op deze manier hebben ze de afgelopen winter overleefd.

En - leuk voor de adverteerders in VarenVaria - ook varens van Cascade, Westdijk en de Hessenhof hebben hier een plek gevonden.
Cascade ~ Kwintsheul/Haarsteeg [NL]
Westdijk ~ Boskoop/Dreischor/Westland [NL]
Hessenhof ~ Ede [NL]


Artikel uit VarenVaria nr.2 - 2008