home - over varens - alles over varens
varennamen      
Varennamen                                                             
Jetty en Paul Zoete, Peter Hovenkamp

Uit een vraag van één van onze leden op de algemene ledenvergadering van 26 april 2003 bleek dat er
behoefte was aan een lijst met Latijnse varennamen, waarin aangegeven is hoe de naam moet worden uitgesproken. Jetty en Paul Zoete hebben daarom de volgende lijst opgesteld. De lijst laat zien hoe de
klemtoon, volgens de regels, gelegd moet worden bij het uitspreken van de Latijnse naam van een aantal
in Nederland voorkomende varens.

Waarom is dat eigenlijk een probleem?
Daarvoor zijn twee redenen.

De eerste is dat de Latijnse varennamen officieel in het Latijn zijn gesteld, en dus ook in uitspraak de Latijnse uitspraakregels volgt. Deze regels zijn weliswaar eenvoudig, maar toepassing ervan vereist een meer dan gemiddelde beheersing van het klassieke Latijn.

Als we te rade gaan bij het onlangs heruitgegeven naslagwerk over plantennamen, opgesteld door C.A. Backer, vinden we de volgende beknopte uitleg over de Latijnse regels:
Tweelettergrepige woorden hebben de klemtoon altijd op de voorste lettergreep. Drie- en meerlettergrepige woorden hebben de klemtoon op de voorlaatste lettergreep als deze lang is, anders op de derde van achteren’.

Het is dus heel simpel - als je maar weet wanneer een lettergreep kort of lang is. Dat is niet altijd duidelijk, en vaak is grondige kennis van het Latijn, en van de afleiding van het betreffende woord vereist. Hoe zou je anders moeten weten welke ’i’ in ’affínis’, ’connectílis’, ’víride’ of ’frágilis’ lang is, en welke kort? Al evenmin ligt het voor de hand dat de ’a’ in ’trichómanes’ een korte klank is, maar in ’quadriválens’ juist weer een lange. En dat de ’i’ in ’oides’ (zoals in ’polypodioídes’) geen korte, maar een lange lettergreep is, kan alleen maar verklaard worden doordat dit een verlatijnisering is van het Griekse ’eidos’, met de betekenis ’gelijkenis’ (vandaar ’polypodio - eidos’, op Polypodium gelijkend).

De tweede oorzaak van veel onzekerheid bij de uitspraak van deze namen is dat de Nederlandse taal buitengewoon onduidelijke regels heeft over de manier waarop de klemtoon in een woord gelegd moet worden. Soms ligt die klemtoon op de laatste lettergreep, soms op de voorlaatste, dan weer op de voor-voorlaatste, en vaak ook op de eerste. Er is, kortom, geen touw aan vast te knopen. Dat maakt het voor ons moeilijk om een bepaald systeem consequent te volgen. Als Nederlander kunnen we dat gewoon niet. Op de één of andere manier hebben wij de neiging om van ’connectílis’ - ’connéctilis’ te maken, maar van juist weer ’frágilis’ - ’fragílis’…

Gelukkig geeft Backer voor vrijwel elke in de plantkunde voorkomende naam de klemtoon aan, zodat we kunnen volstaan met de naam in Backer op te zoeken, en geen verder filologisch onderzoek hoeven te verrichten. In de oudere Nederlandse flora’s zijn deze aanwijzingen overgenomen, maar in meer recente edities van bijvoorbeeld Heukels/Van der Meyden zijn ze weer geschrapt. Navraag bij de auteur leert dat dit gedaan is omdat ’toch niemand er zich aan hield’. Naar gelang onze levensvisie kunnen we dit zien als een overwinning van Hollandse eigengereidheid op traditionele pedanterie, maar ook als teloorgang van kennis van de Klassieken…

Veel van deze ’officiële’ klemtonen doen ons dus onnatuurlijk aan. Het was ook voor mij een hele verrassing
om te lezen dat het niet ’Polypódiacéae’ is, maar ’Polypodiáceae’. Hetzelfde geldt voor alle andere familienamen die op -aceae eindigen: volgens de officiële uitspraakregels is het -áceae, met een meer Nederlandse tongval wordt het al snel -acéae. Moeten we deze klemtonen in het dagelijks gebruik dan toch gebruiken? Tenslotte spreken we hier Nederlands, en geen Latijn.

Backer zelf zegt hierover: ’Eindelijk nog een laatste verzoek aan de weinigen die dit voorbericht zullen lezen. Indien zij iemand een naam verkeerd horen uitspreken, laten zij indachtig zijn aan Leviticus 19, 17: ’Gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen’ en aan II Timoteus 4,2: ’houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid’.

Het lag hem duidelijk na aan het hart...

Maar misschien kunnen we ons beter richten naar de Fransen, die, als zij een naam als ’Polypodiáceae’ onuitspreekbaar vinden, deze vervangen door de verfransing ’Polypodiacées’. En zo zouden we de naam ’Polypódiacéae’ kunnen opvatten als een vernederlandsing van het Latijnse ’Polypodiáceae’, zodat we beide uitspraken naast elkaar kunnen blijven gebruiken.
En nu we toch Backer bij de hand hebben, kunnen we meteen opzoeken wat nu toch ook de betekenis is van
al deze namen. Hier en daar vergelijk ik Backer’s verklaring met de verklaring die gegeven wordt door Fournier, en incidenteel heb ik een en ander nageslagen in Klein (Planten en hun naam), of opgezocht in Theophrastus
of Dodoens’ Cruydtboeck.

Literatuur
• Backer, C.A. ~ 2000. Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen, 2e ed. L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen.
• Dodonaeus, R. ~ 1554. Cruydtboek. Plantijn, Antwerpen.
• Fournier, P. ~ 1977. Les quatre flores de la France, 2e ed. Ed. Lechevalier, Paris.
• Kleijn H. ~ 1970. Planten en hun naam. Meulenhoff, Amsterdam.
• Meijden, R. van der ~ 1996. Heukels’ Flora van Nederland, 22e druk. Wolters/Noordhoff, Groningen.
• Theophrastus (Engelse vertaling door A.F. Hort) ~ 1916. Enquiry into plants. Loeb Classical Library.

Latijnse namenNederlandse namen
In de hieronder staande lijst is de beklemtoonde lettergreep in kleur en met een klémtoonteken aangegeven.

Ophioglosceae addertongfamilie
Ophioglossum: betekent letterlijk slangentong, en is een letterlijke vertaling van een oude wijd verbreide Europese volksnaam. Deze naam zou moeten slaan op de vorm van de sporangiënaar. Zou het volk echt niet hebben geweten dat een slangentong aan de punt gespleten is? Volgens Klein is de naam Slangentong in Drenthe in gebruik voor het Pijlkruid, wat, gezien de vorm van de bladeren daarvan, heel wat beter verklaarbaar is.

Ophioglóssum vultumAddertong
vulgatum: van het gewone volk, dat wil zeggen: algemeen.

Botrýchium luria - Gelobde maanvaren
Botrychium: als een druiventros, waar de sterk vertakte vruchtbare bladslip op zou moeten lijken (althans, volgens Dodoens).
lunaria: halvemaanvormig - de slipjes van het steriele bladdeel.

Osmunceaekoningsvarenfamilie

Osmúnda relis - Koningsvaren
• De Nederlandse naam ’Koningsvaren’ komt overeen met het achtervoegsel ’regalis’. Waar ’Osmunda
vandaan komt is minder duidelijk. Backer zegt ’onbekende afkomst en betekenis’. Fournier suggereert dat misschien een Germaanse Godheid Osmund de naamgever is, maar dat het ook mogelijk is dat het een samenstelling betreft ’os’ (mond) en ’mundare’ (reinigen) een rol spelen - de betekenis zou dan kunnen zijn
dat het kruid werkzaam is tegen slechte adem. De naam gaat tenminste terug op Matthias de l’Obel (ca. 1540).

Adianceaevenushaarfamilie

Adiántum capíllus-nerisVenushaar
Adiantum: uit het Grieks, met de betekenis ’waterafstotend’.
capillus-veneris: letterlijk Venushaar. Venus was voor de Romeinen de godin van de liefde (vergelijk ook venerische ziekte!), en kennelijk dacht men zich haar in met lange, glanzende zwarte haren, ongeveer zoals de bladsteel van het Venushaar.

Hypolepiceae of Ptericeaeadelaarsvarenfamilie
Hoewel officieel iedere soort bij een familie moet horen, is het niet altijd even duidelijk welke familie dat moet zijn. De Adelaarsvaren wordt soms in de Pteridaceae geplaatst, vanwege de randstandige sori, soms ook in de Hypolepidaceae, vooral vanwege de groeivorm.
Hypolepis: ’onder een schub’ - een wel erg weinig kenmerkende eigenschap van de sori.
Pteris: Grieks voor varen.

Ptedium aquinumAdelaarsvaren
Pteridium: ’verwant aan Pteris’ - een soort varen, dus.
aquilinum: van ’aquila’ (Latijn): Arend.
Niemand weet precies wat de Adelaarsvaren met de Adelaar van doen heeft. Er wordt vaak beweerd dat de basis van de bladsteel op doorsnede een beeld zou geven van een adelaar. Dat zou dan het patroon van de vaatbundels moeten zijn - ik heb het er nooit in kunnen zien. Maar persoonlijk kan ik in de vorm van de jonge bladen, met twee schuin omhoog gerichte, nog ontrollende veren en een krul daartussenin, altijd makkelijk een heraldische adelaar ontdekken…

Thelyptericeaemoerasvarenfamilie
Thelypteris: Thelus (Grieks): vrouwelijk. Kennelijk in tegenstelling tot de Mannetjesvaren werd de wat teerdere Moerasvaren als vrouwelijk gezien. Er heerst nogal wat verwarring in deze familie wat betreft de juiste afgrenzing van de verschillende geslachten. De volgende twee soorten geven daar een goed voorbeeld van.

Oreópteris limbospérma (ook: Dryópteris oreópteris) – Stippelvaren
Oreopteris: van ’oros’ (Grieks) en ’Pteris’ - bergvaren.
limbosperma: ’limbus’ (Latijn): rand, en ’sperma’ (Grieks): zaad. Waar er een zaad met rand te zien zou moeten zijn is niet helemaal duidelijk.
Oorspronkelijk werd deze soort in het geslacht Dryopteris geplaatst. Aangezien de botanische naamgevingsregels verbieden dat een soort een naam heeft die uit twee dezelfde woorden bestaat (wel een beetje kinderachtig: de zoologische naamgeving staat dit wel toe) moet de gehele naam veranderen als de soort wordt overgeplaatst naar het geslacht Oreopteris!

Phegópteris conneclis (ook: Dryópteris phegópteris / of ook: Thelýpteris phegópteris) – Smalle beukvaren
Phegopteris: Volgens Theophrastus is ’Phegos’ een soort eik, wild voorkomend op Kreta, met zoete vruchten. Dus niet de Beuk (Fagus sylvatica) die wij hier kennen. Hoe deze boom in verband kan zijn gebracht met deze varen is niet duidelijk. De naam is voor het eerst gebruikt door Linnaeus (in Polypodium phegopteris), en de enige hint naar de betekenis is dat Linnaeus als standplaats vermeldt ’Beukenbossen in Europa en Virginia’. Kennelijk bestond er bij Linnaeus toch enige verwarring tussen Phegos en Fagus…
connectilis (Latijn): samengevoegd. Misschien verwijzend naar de bladslippen die langs de middennerf door middel van kleine slipjes met elkaar verbonden zijn?

Thelýpteris palústrisMoerasvaren
palustris: uit het moeras.

Aspleniáceaestreepvarenfamilie
Asplenium: werkzaam tegen (’a’) miltkwalen (’splen’, Grieks: milt).

Asplénium trichómanesSteenbreekvaren
trichomanes: samenstelling van ’trichos’ (Grieks): haar, en ’mainesthai’ (Grieks): razen (vergelijk manie, maniakaal), dus: met razend veel haren. Misschien dankzij de haardunne en persistente bladstelen die kenmerkend zijn voor de wat oudere planten van deze soort.

ssp. quadrilensSteenbreekvaren
quadrivalens: viervoud - om de viervoudige chromosoomset aan te geven (4n).

Asplénium rideGroensteel
viride: groen.

Asplénium ruta-muriaMuurvaren
ruta-muraria: ’ruta’ staat voor Ruit, ook bekend als de Wijnruit, een plant met bladen die enigszins op die
van de Muurvaren lijken, ’muraria’: op muren voorkomend.

Asplénium adiántum-grumZwartsteel
adiantum: geeft een gelijkenis met de Venushaar aan.
nigrum: de zwarte kleur.

Asplénium fonnumGenaalde streepvaren
fontanum: bij bronnen voorkomend.

Asplénium foresiénseForez-streepvaren
foresiense: genoemd naar de vindplaats: Forez, een heuvelgebied tussen Lyon en Clermont-Ferrand (Frankrijk).

Asplénium septentrioleNoordse streepvaren
septentrionale: uit het Noorden afkomstig.

Asplénium officirum (ook: Céterach officinárum) – Schubvaren
officinarum: aanduiding voor een apothekerskruid.
Ceterach: genoemd naar een oude Arabische naam.
Net als Asplenium schijnt deze naam te verwijzen naar het gebruik tegen miltkwalen.

Asplénium scolopéndrium (ook: Phyllítis scolopéndria) – Tongvaren
scolopendrion: in het Grieks betekent duizendpoot. Kennelijk slaat dit op de grote aantallen sori aan de onderzijde van het blad, die doen denken aan de vele poten van de Duizendpoot.
Phyllitis: afgeleid van het Griekse ’phyllon’: blad.

Athyriáceaewijfjesvarenfamilie
Athyrium: De betekenis van deze naam is een probleem. Er zijn twee mogelijke verklaringen, of misschien zelfs wel drie, en dus eigenlijk geen. Roth, de auteur van het geslacht, geeft zelf aan dat het is afgeleid van ’athoros’, (van ’thoros’, Grieks: zaad), dat wil zeggen, zonder mannelijk sperma. Het zou dan een willekeurig gekozen naam zijn, die op elke andere varen evengoed zou kunnen slaan. Backer gelooft dit niet, vooral omdat van deze Griekse stam de afleiding niet Athyrium, maar zoiets als Athorum zou moeten zijn. Hij suggereert de afleiding ’athuros’, vensterloos, wat zou kunnen slaan op de egaal donkergekleurde schubben (bij veel andere varens vertonen de schubben een soort ’vensters’ in de cellen). Dat is dan weer vreemd, want Roth geeft in zijn beschrijving geen enkele aandacht aan dit kenmerk van de schubben. Fournier verklaart dezelfde afleiding uit de kennelijke afwezigheid van een opening in het indusium. Tja...

Athýrium filix-minaWijfjesvaren
filix-femina: een letterlijke vertaling van ’Vrouwtjesvaren’. Er waren meer varens die als vrouwelijk werden gezien. Ook de naam Thelypteris is daar een aanwijzing voor, en in oudere kruidboeken vinden we ook de Adelaarsvaren aangeduid als ’filix-femina’.

Cystópteris filix-frágilisBlaasvaren
Cystopteris: letterlijke vertaling van Blaasvaren. De opgebolde dekvliesjes zien er een beetje ’blazig’ uit.
filix-fragilis: breekbare varen. De steel is inderdaad nogal breekbaar.

Mattéúccia struthiópterisStruisvaren of Bekervaren
Matteucia: naar C. Matteuci, hoogleraar in Florence.
struthiopteris: ’Struthio’ is de Struisvogel, waarvan de veren enige gelijkenis zouden kunnen vertonen met de bladen van deze varen.

Onocléa senbilisBolletjesvaren
Onoclea: was de Griekse naam voor een onbekende plant - door Linaeus willekeurig aan dit varengeslacht gegeven. Een vorm van recycling, dus.
sensibilis: gevoelig voor allerlei invloeden, zoals het Kruidje-roer-me-niet, maar ook deze naam lijkt tamelijk willekeurig aan deze varen te zijn toegekend.

Dryoptericeaeniervarenfamilie
Dryopteris: op eiken (Grieks: ’druos’) groeiende varens. Een vreemde naam voor dit bij uitstek bodembewonende geslacht.

Dryópteris filix-másMannetjesvaren
filix-mas: letterlijk Mannetjesvaren. Men kon zich vroeger niet voorstellen dat er bij varens geen mannetjes
en vrouwtjes te vinden waren, zoals bij zoveel ander organismen. Wat de mannetjes waren, was kennelijk al snel duidelijk. Over de vrouwtjes heerste nog lang onzekerheid (zie ook Thelypteris, Athyrium filix-femina).

Dryópteris afnis (ook: Dryópteris pseudomas/of ook: Dryópteris borreri) – Geschubde mannetjesvaren
affinis: lijkt op een andere soort. In dit geval zonder twijfel Dryopteris filix-mas. Dezelfde afleiding geldt ongetwijfeld voor de naam pseudo-mas.
borreri: naar de Engelse botanicus Borrer.

Dryópteris cristaKamvaren
cristata: met een kam.

Dryópteris dilata (ook: Dryópteris austríaca) – Brede stekelvaren
dilatata: verbreed.
austriaca: uit Oostenrijk (Austria).

Dryópteris carthusiánaSmalle stekelvaren
carthusiana: naar de Orde der Karthuizer monniken, met het stichtingsklooster La Grande Chartreuse (circa 20 km ten noorden van Grenoble), waar de plant door de naamgever is gevonden.

Postichum lonchítisLansvaren
Polystichum: van ’poly’ (Grieks): veel, en ’stichum’ (ook Grieks): rijen. Misschien omdat de sori in meerdere rijen staan?
lonchitis: afgeleid van het Griekse woord ’lonche’, lans.

Postichum aculeátumStijve naaldvaren
aculeatum: gestekeld.

Postichum seferumZachte naaldvaren
seriferum: borsteldragend.

Cyrmium faltumIJzervaren
Cyrtomium: van ’kurtoma’ (Grieks): gekromd.
falcatum (Latijn): sikkelvormig.

Gymnocárpium dryópteris (ook: Dryópteris linnaeána) – Gebogen driehoeksvaren (Beukvaren, Gebogen beukvaren)
Gymnocarpium: van ’gymnos’ (Grieks): naakt, en ’carpos’ (Grieks): vrucht. Met naakte vruchten dus, of in dit geval, sori zonder dekvliesje.
dryopteris: die hebben we al gehad.
linnaeana: naar Linnaeus, de grondlegger van de botanische naamgeving.

Gymnocárpium robertiánumRechte driehoeksvaren (Beukvaren, Rechte beukvaren)
robertianum: op het eerste gezicht genoemd naar Robert. In dit geval zou dat de heilige Robertus zijn, de eerste bisschop van Salzburg, hier herdacht omdat hij de geneeskrachtige werking van Geranium robertianum ontdekt zou hebben. In feite is de varen niet naar Robertus genoemd, maar naar deze Geranium, omdat hij dezelfde geur heeft.

Blechceaedubbellooffamilie
Blechnum: een Griekse varen heette ’blechnon’. Of dat ook dezelfde varen was zullen we wel nooit weten.

Bléchnum spícantDubbelloof
spicant: een oude Duitse varennaam.

Polypodiáceaeeikvarenfamilie
Polypodium: ’poly’, veel, ’podion’ (Grieks): voetjes, de vele knobbels op de wortelstok waarop de bladeren vastzitten.

Polydium vulreGewone eikvaren
vulgare: gewone.

Polydium interjéctumBrede eikvaren
interjectum: tussengeschoven; ik vermoed dat dit slaat op de positie van deze van oorsprong hybride varen tussen de beide ouders Polypodium vulgare en Polypodium australe.

Marsileáceaepilvarenfamilie
Marsilea: naar graaf Marsigli, een Italiaanse natuuronderzoeker uit de 17/18e-eeuw.

Piluria globuferaPilvaren
Pilularia: van ’pilula’, pilletje, hetgeen slaat op de bolvormige sporedragers.
globulifera: bolletjesdrager.

Salviniáceaevlotvarenfamilie
Salvinia: naar Salvini, Italiaans hoogleraar in de Griekse taal aan de Universiteit van Florence. Salvini corrigeerde de teksten van Micheli, naamgever van Salvinia.

Salnia tansVlotvaren
natans: drijvend.

Azolceaekroosvarenfamilie
Azolla: de herkomst van deze naam is onbekend.

Azólla filiculoídesGrote kroosvaren
filiculoides: lijkend op een ’filicula’, een klein varentje.

Azólla caroliniánaKleine kroosvaren
caroliniana: uit Carolina (VS) afkomstig. Carolina is weer vernoemd naar Karel IX van Frankrijk.

Dit artikel is reeds eerder verschenen in VarenVaria nummer 2, jaargang 16 ~ 2003