home - over varens - varens in de tuin
 Varens en stinzenplanten     
Wim van Dam, foto's: Wikipedia commons

Op de voorjaarsvergadering 2003 van de vereniging, heb ik een voordracht gegeven over stinzenplanten als ondergroei en aanvulling voor de varentuin. Aangezien er helaas altijd maar een kleine vaste groep van de leden en het bestuur aanwezig zijn (altijd wel heel gezellig), is mij gevraagd dit onderwerp in onze VarenVaria te plaatsen.

Buiten de varens die ons na aan het hart liggen, heeft iedereen toch ook wel andere planten in de tuin. Begeleiders van de varencollectie en bomen en struiken voor achtergrond en structuur. Ook ondergroei moet er zijn en dat zullen over het algemeen in een dergelijke schaduwtuin ook schaduwverdragende bodembedekkers en ook vaste planten zijn. Die planten zijn over het algemeen van nature ook bos en bosrandplanten al of niet veredeld. Denk hierbij aan Digitalis, longkruid, Tiarella, maagdenpalm.
 

De meeste planten zijn vroege bloeiers en dat is logisch omdat in het vroege voorjaar de bomen nog niet in het blad staan en dus meer licht doorlaten. Een tweede voordeel is in het voorjaar de vochtigheid van de grond. Bomen die zomers in de warmte veel verdampen trekken heel veel water op en de bovenste teeltlaag waar deze plantjes groeien kan gortdroog worden. Denk hierbij aan de zomerrust periode van veel bolgewassen, Speenkruid en dergelijke.

Ook de stinzen flora is er heel vroeg bij en kan de vroege varentuin interessanter en ook heel fleurig maken, Als in juni de varens het toneel overnemen hebben de meeste soorten zich totaal teruggetrokken.
 

      Digitalis purpurea
De meeste planten zijn vroege bloeiers en dat is logisch omdat in het vroege voorjaar de bomen nog niet in het blad staan en dus meer licht doorlaten. Een tweede voordeel is in het voorjaar de vochtigheid van de grond. Bomen die zomers in de warmte veel verdampen trekken heel veel water op en de bovenste teeltlaag waar deze plantjes groeien kan gortdroog worden. Denk hierbij aan de zomerrust periode van veel bolgewassen, Speenkruid en dergelijke.

Ook de stinzen flora is er heel vroeg bij en kan de vroege varentuin interessanter en ook heel fleurig maken, Als in juni de varens het toneel overnemen hebben de meeste soorten zich totaal teruggetrokken.

Tot de volgende lente. Het is zelfs van belang dergelijke waardevolle plantengroepen goed te markeren of noteren, om in de zomer niet juist daar te gaan spitten of planten.
 
Maar eerst iets over het begrip stinzen flora

Stins is een fries woord voor een middeleeuws huis. Een stins was een kasteel, aanvankelijk eerst een houten vluchttoren, later als een stenen woontoren versterkt en gebouwd op een motte! De motte of stins wier is een in het vlakke Friese land opgeworpen verhoging waarop die toren en latere bijgebouwen zijn gebouwd. Rondom die motte was meestal een ringgracht. Op het platteland werd deze stins, later meestal een buitenplaats, een staete of adellijke hofstee. Die historische vergraven gronden liggen nog steeds hoger in het landschap en de grondsoorten zijn gemengd. De eeuwen lange cultiverende invloed van de mensen maakte deze plaatsen tot een bijzonder milieu, op deze speciale plaatsen komen veelal de stinzenplanten voor.

Stinzenplanten horen meestal daar niet tot de oorspronkelijke wilde flora, maar zijn om uiteenlopende redenen van ver aangevoerd. Soms als artsenij plant maar ook gewoon voor de sier. De soorten die echt verwilderden en zich ook uitbreiden en zich al eeuwen in stand houden zijn tot de Nederlandse flora gaan behoren, maar worden stinzenplanten genoemd en beperken zich meestal tot die speciale standplaatsen.

Ook de bewoners van die plaatsen hebben meegewerkt aan die aparte flora. Het waren mensen uit de hogere klasse, die zich de tijd en luxe konden permitteren om exotische planten van elders te laten aanvoeren. Ook de eeuwenlange niet intensieve cultivering van tuin en erf hield dat milieu en die flora in stand. Door de relatie tussen de historische bebouwing en die planten zijn cultuur en natuur sterk verweven.
 
Dat bolgewassen voor de hand liggen komt uiteraard door het gemak van transport en bewaring van bolletjes in de rust periode. Sommige soorten zijn al in de zestiende eeuw aangevoerd. Die speciale soorten die zich goed thuis voelden, in die opgehoogde lossere menggrond van de stins zijn gebleven. Na een eerste periode van verwilderen waarbij soorten zich op dezelfde plaats handhaven en zich jaarlijks ook uitbreiden in de meer of minder gecultiveerde gazons van open parkbossen volgde het echte inburgeren. Dan breidt de soort zich ook uit tot naburige vergelijkbare locaties en wordt deel van de locale wilde flora. Er zijn plaatsen waar stinzen soorten massaal elk voorjaar de grond kleuren en dat vaak al eeuwen lang. Maar ook dit milieu is kwetsbaar. Geen of andere cultivatie of bestemming van de grond kan het doen verdwijnen.
 

Gevlekte aronskelk (Arum maculatum)     
Toch is dit stinzenmilieu, dat gekenmerkt is door een vochthoudende voedselrijke luchtige bodem, pas een halve eeuw geleden als apart milieu gekenmerkt. Het is niet beperkt tot de noordelijke provincies, bij historische gebouwen en parken in Overijssel en de Achterhoek, de binnenduinrand en langs de grote rivieren en de Vechtstreek, maar altijd in oude historisch, door de mens gecultiveerde rijkere gronden.
 

Gevlekte aronskelk (Arum maculatum)
Wat en welke soorten bij de stinzen flora behoren is niet altijd duidelijk. Voorjaarshelmbloem (Corydalis solida) en de Gevlekte aronskelk zijn in Friesland echt stinzenplanten terwijl deze soorten in een kasteeltuin in Limburg eigenlijk gewoon tot de wilde flora behoren.
We verstaan stinzenplanten als soorten die in hun verspreiding beperkt zijn tot de stinzen en aanverwanten milieus, zoals pastorietuinen, kerkhoven, stadswallen en slotheuvels, ooit uitgeplant en ingeburgerd. J.P. Thijsse had gelijk toen hij in 1915 een van onze karakteristieke stinzenplanten de Voorjaarshelmbloem of het Vogeltje op de kruk een echte plant van kloosters en kastelen noemde.
 
Een aantal soorten met kleurige bloemen die gemakkelijk verwilderen zijn heel geschikt voor de varentuin. Zij kunnen jarenlang een bron van plezier zijn als de lente zich weer aandient. De belangrijkste voor de varentuin zal ik noemen en speciaal die soorten die het in mijn varentuin uitstekend doen! Uiteraard is dit geen beeld van de gehele stinzen flora.

Tot de eerste bloeiers onder de stinzenplanten behoren de bekende Winteraconiet en de sneeuwklokjes. Niet moeilijk te kweken en ook goed verkrijgbaar.
 


Winteraconiet (Eranthis hyemalis)  

Lenteklokje (Leucojum vernum)
Daarnaast het mooie Lenteklokje (Leucojum vernum) dat meer eisen stelt aan de grond en vochtigheid en ook in de handel zeldzaam en duur is maar voor de liefhebber een must. Het verwante Zomerklokje die veel hoger is en later bloeit met meerdere bloempjes heeft ongeveer de zelfde bloemvorm. Deze soort word meer aangeboden en is ook makkelijker te kweken op een vochtige standplaats.
 

De Bonte crocus (Crocus vernus) is ook goed voor verwildering in paars gestreept en wit. Van de grootbloemige tuinsoorten die veel worden aangeboden ben ik minder gecharmeerd. Liever is mij de Boerencrocus (Crocus tommasinianus), die bloeit nog vroeger en staan in de zon als sterretjes zover open. Dit soort zaait zich bij mij sterk uit in gazon en borders in diverse tinten lila blauw. Na enkele lichte dagen begin maart is de tuin ineens bespikkeld met die kleurige sterretjes.
 


Boerencrocus (Crocus tommasinianus)    

Vingerhelmbloem (Corydalis solida)
De Voorjaarshelmbloem, tegenwoordig ook Vingerhelmbloem (Corydalis solida) genoemd is ook heel geschikt voor de varentuin, deze bloeit in april en word ook wel ’Vogeltje op de kruk’ genoemd. De plantjes bloeien met roodpaarse hangende bloempjes en verwilderen door zaad heel gemakkelijk in mijn tuin. De mieren slepen de zaden naar hun nest voor het mierenbroodje wat aan het zaad vast zit, als dit eraf is laten ze de zaden liggen. Ik kon dit jaar behoorlijk wat zaad bij de ingang van het mierennest opvegen met stoffer en blik.
 
De wat hogere Holwortel (Corydalis cava) is zeldzamer, doordat dit soort hogere eisen stelt aan milieu en grondsoort. Ondanks dat ik diverse keren heb uitgezaaid heb ik ze nog niet in mijn tuin.
 

Holwortel (Corydalis cava)   

Boshyacint (Scilla non-scripta)
Een van de beste stinzenplanten voor de grotere bostuin is de Boshyacint (Scilla non-scripta, ook Scilla campanulata), de veel geroemde engelse ’bluebell’. Dit soort zaait zich in mijn tuin ook erg uit, maar toch kan ik er nauwelijks een bolletje van weg doen. In de handel zijn ook roze, witte, zelfs gemengde bollen te koop, maar de blauwe vind ik het mooist. Andere Scilla’s blijven veel lager en zijn tussen de varens ook goed bruikbaar onder anderen de Scilla bifolia, Scilla sibirica en ook de Chionodoxa species. Allemaal echte verwilderingsbollen die zich zelf ook uitzaaien.
 
De Bosanemoon (Anemone nemorosa) is eigenlijk als stinzenplant discutabel. De planten komen veel in parkbossen voor, maar de flora geeft aan dat de soort van nature in heel West-Europa voorkomt, gewoon wilde flora dus! Dit geldt dan weer niet voor de cultuur variëteiten. Voor de varentuin is dit uiteraard niet interessant, het is een aanwinst tussen de varenplanten. De Bosanemoon bloeit wit tot licht paars en kan een mooie aaneengesloten begroeiing maken. Bij mij staan ze bijvoorbeeld gemengd met de eikvaren (Polypodium interjectum ’Cornubiense’), die er juist in die tijd zo slordig uitziet ze vullen elkaar uitstekend aan.
Bosanemoon (Anemone nemorosa)  
Bosanemonen zijn nogal moeilijk te verhandelen en dus ook te verkrijgen. Dit komt door de snel uitdrogende wortelstokjes, dit in tegenstelling tot de soms keiharde knolletjes van de Anemone blanda, die zich veel gemakkelijker en langduriger in een zakje laat verkopen. De echte Bosanemoon en zijn variëteiten vind ik echter te verkiezen voor de varentuin.
Er zijn enkele fraaie cultuurvariëteiten. De lichtblauwe cultivar ’Allenii’ al gekweekt in 1890 en de cultivar ’Robinsoniana’. Ook is er een heel interessante dubbele vorm de cultivar ’Vestal’ een halskraagvorm die zuiver wit blijft, bekend en gekweekt vanaf 1870. Onvruchtbaar maar uiteraard vermeerderd door de wortelstokjes. Prachtige planten en ook interessant omdat ze pas gaan bloeien als de wilde soort is uitgebloeid, meestal pas in mei als het ware een toegift.
 

Blauwe anemoon (Anemone apennina)
Een derde soort is de Blauwe anemoon (Anemone apennina) deze is zeldzaam als stinzenplant alsook in de handel. Deze staat nog op mijn verlanglijstje.
 
De fraaie Gele anemoon (Anemone ranunculoides) is bekender en doet het prachtig tussen zich uitrollende varens. De soort maakt een rijkbloeiend aaneengesloten gewas dat zich jaarlijks uitbreid. Er is een dubbele vorm en ook nog een lagere, de cultivar ’Wockiana’.
 

Gele anemoon (Anemone ranunculoides)  

Stengelloze sleutelbloem (Primula vulgaris)
De Stengelloze sleutelbloem (Primula vulgaris), een overblijvende plant met licht gele bloemen en oranje-geel hart, is als enige van de Primula’s een echte stinzenplant, met dit soort is veel gekruist en veredeld en er zijn in het voorjaar overal grootbloemige vormen in felle kleuren verkrijgbaar, persoonlijk vind ik dit voor een bostuin te bont, maar dit terzijde. De echte wilde soort doet het bij mij maar matig, veel meer succes heb ik met de licht gele Slanke sleutelbloem (Primula elatior), die de hele tuin verovert door zich hevig uit te zaaien.

 
Er zijn uiteraard veel meer soorten en ook niet stinzenplanten kunnen langdurige begeleiders van onze varens zijn die goed kunnen verwilderen.
Stinzenplanten worden onder andere aangeboden door Rita v.d. Zalm (Noordwijk) en op de nationale bollenmarkt in Lisse is ook van alles te koop medio oktober 2003.
 
Tot slot nog één stinzenplant wil ik noemen - dat is namelijk een varen die ook tot de stinzenplanten gerekend wordt namelijk de Struisvaren (Matteuccia struthiopteris), om toch even met varens te eindigen.
 

Struisvaren (Matteuccia struthiopteris)  
Geraadpleegde literatuur
• Meijden, R. van der. ~ 1996. Heukels’ flora van Nederland. Wolters-Noordhoff.
• Piet Bakker en Evert Doeve ~ 1985. Stinzenplanten. Uitgeverij Terra.

Artikel uit VarenVaria nr.2 - 2003